Categorieën
2024 Stories

150 jaar impressionisme: het begin van het moderne

Dit jaar is het 150 jaar geleden dat de Eerste Impressionistische Tentoonstelling haar deuren opende in Parijs. Een hoogtepunt in de moderne kunstgeschiedenis, dat vanaf maart groots gevierd wordt met de terugblik ‘Paris 1874: Inventing Impressionism’ (‘Het impressionisme uitgevonden‘) in Musée d’Orsay.

Wat een vrijheid, wat een gemakzucht! De voorstudies van een behangpatroon zijn zelfs meer voltooid dan dit zeegezicht!’ Het waren harde woorden die kunstcriticus Louis Leroy schreef over Claude Monets schilderij Impression, Soleil Levant (1872). Het werk hing in 1874 in de eerste tentoonstelling van de ‘Société Anonyme des artistes peintres, sculpteurs, graveurs, etc.’, inmiddels bekend als de Impressionisten. De expositie was financieel een fiasco en menig Parijse kunstcriticus bespotte de kunstenaars en hun werken in publicaties, artikelen en karikaturen. Ondanks het onbegrip van velen was de tentoonstelling een iconische gebeurtenis, die – na de opening van de Salon des Refusés in 1863 – kan worden gezien als het startsein van de moderne kunst in Europa.

Op zoek naar erkenning

Het idee voor een dergelijke tentoonstelling ontstond al in 1867, toen een jonge generatie kunstenaars zich verzamelde in het Café Guerbois, aan de Rue des Batignolles in Parijs. De groep, gecentreerd rond schilder Édouard Manet, noemde zich de ‘Groupe des Batignolles’ en rekende Frédéric Bazille, Paul Cézanne, Edgar Degas, Claude Monet, Berthe Morisot, Camille Pissarro, Pierre-Auguste Renoir en Alfred Sisley tot haar oprichters. De groep hield levendige debatten over de ontwikkeling van kunst en besprak haar afkeer tegen de verregaande invloed van de door de staat gereguleerde Salon. Erkenning tijdens de Salon gaf bijna zeker garantie op een succesvolle carrière, maar de strikte houding van de jury belette de progressieve kustenaars hun werk tentoon te stellen. Alle leden van de Batignolles werden meermaals uitgesloten van deelname, wat hun gezamenlijke roep tot verandering aanwakkerde.

impressionisme Monet Sterre Overmars Tableau Magazine
Edgar Degas (1834-1917), The Dancing Class, ca. 1870, The Metropolitan Museum of Arts, New York – nr. 55 in de Eerste Impressionistische
Tentoonstelling

De onvrede van de kunstenaars in Café Guerbois werd onderbroken door de Frans-Pruisische oorlog (1870-1871), die eindigde in een pijnlijke nederlaag voor Frankrijk en in de Duitse eenwording; met als doornenkrans de kroning van de Duitse keizer Wilhelm I in de Spiegelzaal van Versailles. Verschillende kunstenaars, onder wie Pisarro en Monet, vluchtten naar Londen, anderen, zoals Degas, Manet en Bazille, meldden zich voor het Franse leger. De jonge Bazille overleefde de oorlog niet en sneuvelde tijdens de slag om Beaune-la-Rolande. Terwijl Frankrijk haar wonden likte en het zwaar gehavende Parijs werd heropgebouwd, was de zoektocht naar een nieuw soort kunst urgenter dan ooit. Toen de genadeloos strenge jury van de Salon in 1873 het overgrote deel van de inzendingen afwees, was voor de leden van de Groupe des Batignolles de maat vol. Op 27 december 1873 werd de ‘Société Anonyme des artistes peintres, sculpteurs, graveurs, etc.’ opgericht, met als doel het organiseren van een eigen tentoonstelling en zich zo los te maken van het conservatieve juk van de Académie en de Salon.

Dertig rebellen

De zestien oprichters van de Société zagen zich genoodzaakt om hun groep uit te breiden, om zo met meer deelnemers de kosten te kunnen dragen. Degas wilde dat zij hiervoor mensen benaderden die eerder succesvol waren geweest op de Salon, om zo het ‘rebelse’ randje van de Société af te halen. Maar zijn voorstel bleek lastiger dan gedacht: het merendeel van de Parijse kunstenaars durfde zich niet te keren tegen de traditionele Salon. En hoewel de opstandige Manet de opvattingen van de Société deelde, deed ook hij niet mee. Juist omdat hij zich op de Salon wilde verzetten tegen de overheersende Académie en niet op de ongereguleerde tentoonstelling van de groep rebellerende ‘anonieme’ kunstenaars. Manet in het hol van de leeuw, dat was de gedachte. Na vijf maanden onvermoeibare werving, hadden uiteindelijk toch dertig kunstenaars hun werken toegezegd aan de eerste tentoonstelling van de Société.

De tentoonstelling werd geopend op 15 april 1874 in de voormalige studio van fotograaf Nadar aan de Boulevard des Capucines nr. 35, strategisch gelegen aan een van de drukste kruispunten van Parijs. De Société had de tactische keuze gemaakt om twee weken voor de Salon te openen en zo, in ieder geval de eerste weken, niet te hoeven wijken voor de populariteit van haar grootste rivaal. Voor 1 franc mocht men naar binnen en voor 50 centimes kocht men er een catalogus bij. Aan de roodbruine wanden hingen 165 schilderijen, tekeningen en etsen, afgewisseld met sculpturen. 

Verder lezen? Neem een abonnement of koop een losse editie in de winkel.

Categorieën
2023 Stories

Berthe Weill: een vergeten pionier

In het Parijs van 1901 zorgde een nieuw gezicht voor opschudding in de door mannen gedomineerde kunstwereld: Berthe Weill opende haar galerie in Montmartre. Zij werkte samen met grote namen en gaf ook vrouwelijke kunstenaars een podium.

Traditioneel gezien werd de Parijse kunstmarkt beschouwd als een typisch mannelijke aan­ gelegenheid. Het grootste gedeelte van de kunstenaars, de kopers en vooral de kunst­ handelaren was man. Toch diende zich vanaf het begin van de 20e eeuw een nieuw gezicht aan binnen de Franse kunsthandel: Berthe Weill (1865­1951). Niet meer dan anderhalve meter groot, met dikke jampot­ glazen in haar bril en een scherp temperament, was zij de allereerste vrouwelijke kunsthandelaar in Parijs. In 1901 open­ de Weill haar galerie in het culturele centrum van Montmartre. Galerie B. Weill bleef veertig jaar actief en toonde verschil­ lende kunstenaars die tegenwoordig tot de top van de moderne kunst worden gerekend, onder wie Pablo Picasso, Henri Matisse en Suzanne Valadon.

Berthe Weill Sterre Overmars Tableau Magazine
Amedeo Modigliani, Seated Nude, 1916, collectie Courtauld Institute of Art, Londen

Berthe Weill werd geboren in een arm joods gezin en ging als tiener in de leer bij haar achterneef Salvator Mayer, die een antiek­ winkeltje runde aan de Rue Laffitte in Montmartre. Van Mayer leerde zij de kneepjes van het vak en samen handelden zij in verschillende antieke waren en oude boeken. Toen haar leermeester in 1896 overleed, besloot zij om met haar broer Marcellin een eigen antiekwinkeltje te openen aan de Rue Victor Massé, eveneens in het drukbezochte Montmartre. Niet lang na de opening werd Weill benaderd door de Spaanse zakenman Pedro Mañach, die goede connecties onderhield met jonge Spaanse kunstenaars in Parijs. Hij spoorde haar aan het antiekwinkeltje om te zetten in een kunsthandel. Aldus geschiedde: op 1 december 1901 opende Galerie B. Weill haar deuren. Berthe koos er bewust voor om haar voornaam af te korten tot slechts de letter ‘B’, zodat bevooroordeelde kopers haar niet op haar gender zouden afkeuren.

Al snel had Weill een uitgebreide kring aan kunstenaars om zich heen verzameld. Zij beperkte zich hierbij niet tot de populaire impressionisten, zoals vele andere kunsthandelaars deden. Sinds de successen in de laatste decennia van de 19e eeuw, werden impressionistische werken veelvuldig verzameld door iedereen die het zich kon permitteren. In tegenstelling tot haar collega’s, presenteerde Weill haar galerie als de eerste kunsthandel die zich volledig wijdde aan de promotie van contemporaine kunstenaars. Al vanaf 1902 promootte zij, onder andere, Henri Matisse, André Derain en Albert Marquet, die drie jaar later bekend zouden staan als de fauvisten. De Galerie B. Weill had als doel om de jongere generatie avant-gardisten – aan wie ze moederlijk refereerde als ‘les jeunes’ – een platform te bieden.

Pablo Picasso, Le Moulin de la Galette
Pablo Picasso, Le Moulin de la Galette, 1900, Solomon R. Guggenheim Museum, New York

Picasso en Modigliani

Zo was Berthe Weill een van de eersten die handelde in de werken van Pablo Picasso. De jonge Spaanse kunstenaar was in 1900 voor het eerst naar Parijs afgereisd en werd daar door Pedro Mañach voorgesteld aan Weill. Mañach deelde een klein appartement annex studio met Picasso en de beeldhouwer Manuel Martinez Hugué (beter bekend als Manolo). Tijdens haar eerste ontmoeting met Picasso kocht Weill drie werken van stierengevechten voor 100 franc en verkocht deze weer door voor 150 franc: Picasso’s eerste verkoop in Parijs. Hierop nodigde Mañach haar uit om in hun appartement naar meer werk te komen kijken. In haar memoires beschrijft Weill haar bezoek aan het appartement van de drie Spanjaarden. Ze beklom de trappen naar de voordeur en trok geruime tijd aan de bel, maar niemand deed open. Geïrriteerd daalde Berthe Weill de trappen weer af en kwam daar Mañach tegen. Waarom ging zij weer naar beneden, vroeg deze, deed er niemand open? Met zijn tweeën liepen ze terug naar het appartement.

Bij binnenkomst bleken Picasso en Manolo wel degelijk thuis te zijn. Verstopt onder de dekens hadden zij gegierd van het lachen bij het idee dat de kleine Weill zó aan de deurbel moet hebben gehangen. Een van de werken die Weill toen uitkoos, hangt op dit moment in The Guggenheim Museum in New York en wordt gezien als een van Picasso’s vroegste meesterwerken: Le Moulin de la Galette (1900). Hoewel Picasso een exclusief contract zou tekenen met kunsthandelaar Clovis Sagot in 1904 (hij wist Picasso’s werken voor hogere prijzen te verkopen dan Weill), zouden zij tot ver in hun beider carrières bevriend blijven.

Weill was tevens de enige die tijdens zijn leven een solotentoonstelling wijdde aan de werken van de Italiaanse kunstenaar Amedeo Modigliani…

Verder lezen? Bestel een losse editie of haal hem in de winkel.