Categorieën
2024 Stories

100 jaar surrealisme in België: grenzeloosheid van de geest

De musea in Brussel grijpen dit voorjaar het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie aan om het surrealisme te vieren. Dat André Bretons Manifest van het surrealisme precies 100 jaar geleden verscheen, maakt het dubbel feest. Maar dat was in Parijs. Wat gebeurde er ondertussen in België?

Spiegels die niet naar behoren werken, stadsgezichten waar het tegelijkertijd dag én nacht is en natuurlijk de pijp die volgens het bijschrift geen pijp ís. De combinatie surrealisme en België zal als vanzelf het beeldend werk van René Magritte (1898-1967) oproepen. Maar ook in Brussel stond het geschreven woord aan de basis van het surrealisme. Vrijwel tegelijk met Bretons manifest, bracht dichter en filosoof Paul Nougé (1895-1967) in 1924 zijn eerste surrealistische magazine uit. In het Brusselse Bozar staat Nougé als leider van het surrealisme centraal en is de titel afgeleid van de publicatie Histoire de ne pas rire, waarin essays zijn verzameld die hij tussen 1924 en 1954 schreef over zijn geloof in de transformatieve kracht van taal.

Max Ernst, Attirement of the Bride, 1940, collectie Peggy Guggenheim, Venetië (Fondazione Solomon R. Guggenheim, New York)

Nougé thuis bij Magritte

Magritte en Nougé leerden elkaar in 1924 kennen. Het is dan zeven jaar geleden dat de dichter Guillaume Apollinaire de term surréalisme voor het eerst noteerde en er is bijna 25 jaar verstreken sinds het verschijnen van Sigmund Freuds boek Die Traumdeutung. Magritte verdiende zijn geld als reclametekenaar en omringde zich ondertussen met abstract werkende kunstenaars, werd betrokken bij dada-initiatieven, exposeerde met Lissitzky en Moholy Nagy en was onder de indruk van de bevreemdende, lege landschappen van de Italiaan Giorgio de Chirico. Nougé en Magritte werden goede vrienden. Magritte schilderde hem in 1927 als ranke jongeman, met grote, ronde bril; uiterst formeel en statig, in rokkostuum, zijn rechterhand op zijn rug, zijn linkerhand aan de klink van een deur, waarachter een identieke Nougé schuilgaat.

Er waren geen Belgische surrealisten, er zijn wel surrealisten in België geweest

Tijdens de bijeenkomsten van de Brusselse groep surrealisten in het huis van Magritte, waar hij zijn schilderijen in de keuken maakte (strikt gescheiden van zijn reclametekenwerk in de schuur) dachten ze samen na over de titels, waarbij Nougé meer dan eens de beslissende woorden vond. Als theoreticus maakte Nougé zelf geen beeldend werk, op de intrigerende fotoserie La Subversion des images (1929-1930) na, gemaakt in de beslotenheid van een gewone woonkamer waarin zich wonderlijke scènes afspelen: vijf volwassenen – Magritte en zijn vrouw Georgette zijn te herkennen – concentreren zich gezamenlijk en schijnbaar zonder reden op een zwarte wand naast de schouw. Het is typerend voor het surrealisme dat mensen zonder beeldende training worden aangemoedigd iets te maken. Zoals ook bij de surrealistische vinding cadavre exquis, waarbij deelnemers ongezien de tekening van hun voorganger aanvullen op een gevouwen blad. Iedereen kan meedoen, kunstenaar of niet. Tijdens de ondenkbare verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog is de ratio hard van zijn voetstuk gevallen: het gebrek aan controle en aan intellectuele onderbouwing wordt gezocht en gevierd.

100 jaar Surrealisme Belgie René Magritte Tableau Magazine
René Magritte, Portrait de Paul Nougé, 1927

Surrealisme verovert de wereld

Al lijkt Magritte een smal burgermanleven te leiden in zijn kleine huis, in zijn nette pak, de uitwisseling van ideeën tussen het Brussels surrealisme en de wereld is evident. Magritte exposeert internationaal en Nougé is betrokken bij het schrijven van de manifesten van Breton. ‘Er waren geen Belgische surrealisten, zoals er ook geen Chinese surrealisten zijn. Er zijn surrealisten in België geweest,’ aldus E.L.T. Mesen (1903-1971), de flamboyante Belgische duizendpoot die zijn hele leven promotor van het werk van Magritte was. Toch is er wel degelijk iets typisch Belgisch te ontwaren aan het surrealisme. Vrijwel tegelijk met Bozar is in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België de tentoonstelling ‘IMAGINE! 100 years of international surrealism’ te zien, waarin de internationale reikwijdte van het surrealisme aan de hand van thema’s als de droom, het labyrint, de metamorfose, het onbekende en het onderbewuste wordt onderzocht. In deze, in nauwe samenwerking met het Centre Pompidou samengestelde, reizende tentoonstelling zal elke locatie een andere focus leggen, passend bij de collectie. Opvallend bij het KMSKB is dat de nadruk wordt gelegd op de relatie tussen het surrealisme en symbolisme, met de duistere, droomachtige en vervreemdende sfeer in het werk van onder meer Fernand Khnopff (1858-1921) en Léon Spilliaert (1881-1946). Maar sporen van dada zijn er natuurlijk ook.

Verder lezen? Neem een abonnement of koop een losse editie in de winkel.

‘Histoire de ne pas rire. Het surrealisme in België’, Bozar – Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, 21 februari t/m 16 juni. Met werk van o.a. Paul Nougé, René Magritte, Jane Graverol, Marcel Mariën, Rachel baes.

‘IMAGINE! 100 Years of International Surrealism’, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, 21 februari t/m 21 juli, i.s.m. Centre Pompidou, Parijs. Na Brussel en Parijs reist de tentoonstelling door naar Hamburger Kunsthalle, Fundación Mapfré in Madrid en Philadelphia Museum of Art. Met werk van o.a. Joan Miro, Dorothea Tanning, Man Ray, Leonor Fini, Dora Maar.

Categorieën
2020 Tentoonstellingen - Nationaal

Van schets tot sculptuur

DE RUIMTE IN

Terwijl ik de film van Kim Habers bekijk, denk ik aan wat Lenneke van der Goot zegt in haar publicatie Wandering Lines (2017): ‘Er spreekt een romantisch verlangen uit mijn werk om overrompeld te worden.’ Bij het ver- kennen van de ruimte en het gevoel van desoriëntatie tekende en sneed Van der Goot en maakte zich los van de wand. Ruimtelijkheid krijgt twee verschillende betekenissen binnen haar tekeningen: de ruimtelijkheid in de tekening en de letterlijke ruimte die de tekening inneemt. Zoals de installatie die ze in 2011 in het Ottenhuis in Diepenheim maakte, waarbij de wanden van de langwerpige ruimte het decor vormden voor een groep wolven. Uit papier geknipte wolven, op de wand getekende wolven, de schaduwen, de plantmotieven; het heeft een gelaagdheid waardoor je als kijker niet alles kunt overzien. Inmiddels is Van der Goots focus verschoven van wolven naar mathematisch ingewikkeld ogende objecten in landschappen die ontstaan zijn uit experimenten met potlood, papier en kwast. Soms zijn er duidelijk verfstreken te herkennen of de structuur van een gepropt of gevouwen papier. Van der Goot transformeert ze tot een overweldigend landschap voor piepkleine mensen die zich proberen te verhouden tot hun omgeving of tot een zwevend voorwerp met onduidelijke en onbekende proporties. Vervolgens doet Van der Goot een beroep op de verbeeldingskracht van de kijker; ‘Ik hoop dat mensen zich in mijn werk kunnen verplaatsen, zich kunnen voorstellen dat ze geconfronteerd worden met wat daar te zien is.’

 

Lenneke van der Goot, Scene with wolves, 2011,
installatie in Drawing Centre Diepenheim met inkt,
papier, tape en bouwlampen, ca. 4 x 11 meter

TEKENING EN OMGEVING

Drawing Centre Diepenheim is een plek waar volgens curator Nannette Kraaijkamp de tekening goed gedijt. Naast de goed geoutilleerde werkplek en sinds 2016 ook een steendrukkerij, is het de omgeving die daaraan bijdraagt; de rust, de ruimte, de natuur. In de zomer van 2019 presenteert het Drawing Centre een solo van Marisa Rappard in het oude schoolgebouw. Haar werk is bij uitstek een onderzoek naar welke beeldende rol het papier zelf speelt, zoekend naar de verhouding tussen de tekening en de omgeving. Waren haar ruimtelijke collages van dicht-betekende, eindeloze, gekleurde lijnenstromen en -krassen eerst vooral organisch, vloeiend over kleine houten constructies, in Diepenheim toont ze een structuur van horizontalen en verticalen waarin ze afwisselend tekenpapier en transparantpapier gebruikt. Hierdoor ontstaat niet alleen gelaagdheid binnen het werk, maar ook de grens tussen de tekening en de omgeving vervaagt. ‘Mijn manier van werken is heel associatief en vanuit de impuls. Juist tekenen past daar heel goed bij, omdat het heel direct is.’ Rappard lijkt niet alleen de afstand tussen haarzelf en haar werk zo klein mogelijk te maken, maar ook die tussen haar werk en de wereld, door te zoeken naar manieren om de drager soms bijna te laten verdwijnen.

BEELDHOUWEN IN TEKENINGEN

Ondertussen, in Apeldoorn, neemt het papier nog verder sculpturale vormen aan en worden de laatste restjes tekenkunst afgeschud. Joris Kuipers verkende eerder in zijn kunstenaarschap vooral de innerlijke ruimtes en liet organische vormen, lijnen in rood op wit papier de ruimte in komen. Nu zijn Kuipers’ papieren wandsculpturen kleuruitbarstingen van stevige stralenkransen zonder titel. Van dichtbij zie je de afzonderlijke structuren en kleuren, zorgvuldig aangebracht op het karton, zorgvuldig gescheurd en met de helderwitte scheurranden nog zichtbaar. Het werk maakt zich los van de muur.
 

Joris Kuipers, zonder titel, 2017, acryl op karton
(foto: Joris Kuipers)

Net om de hoek, bij de entree van de tentoonstelling Paper Art staat een glorieus, witstralend paard. ‘Als je mij een kwast geeft, gaat het mis. Kleuren kiezen vind ik al lastig.’ Couzijn van Leeuwen was overtuigd beeldhouwer. ‘Ik ben zelf immers ook een ruimtelijk ding, of beter nog; een ruimtelijk ding dat zich beweegt in ruimte, in de ruimte.’ En meer dan 15 jaar kartonmeester. ‘Het paste direct bij me. Papier voelt prettig, het ruikt lekker, het is een materiaal dat in hetzelfde tempo mee kan gaan als wat ik denk en doe. Het is ongecompliceerd, het is ontzettend licht, het is recyclebaar. En als je weet hoe je het moet gebruiken kun je dragende constructies maken. Het is ook een hele directe manier van werken. Als het niet goed is, moet je het weer afbreken.’ Van Leeuwen liet karton gewoon karton zijn-met zichtbare nietjes-en tegelijkertijd een trotse ruiter op een trots paard, of een oude kast of een exotische vogel.

 

Couzijn van Leeuwen, Self- portrait as Captain
Braveheart
, 2018, karton en nietjes,
particuliere collectie (foto: Angela Stouten)

Net als bij Van Leeuwen lijkt ook bij Maartje Korstanje een huwelijk voor het leven te zijn gesloten tussen de maker en haar medium. Waar Van Leeuwen duidelijk het karton laat zien, de witte stroken vormen een ritme op de bil van het paard, brouwt Korstanje voor al haar sculpturen een magische en geheime lijmpap, waarmee ze haar kartonnen schepsels leven inblaast. En raad eens? Ooit ging Korstanje naar de kunstacademie, omdat ze het liefst haar hele leven wilde tekenen. Maar de praktijk van het beeldhouwen overtuigde Korstanje dat dat meer bij haar paste. Waarom? Omdat er niets zit tussen haar en het materiaal, tussen haar en haar werk. Geen potlood, geen krijt, niets. Alleen haar beeldhouwershanden en het karton, om heel direct te kun- nen werken en geen greintje ziel van het beeld te verliezen. Als een schets.

Paper Art 2019, Coda Museum Apeldoorn, 10 juni t/m 27 oktober 2019
www.coda-apeldoorn.nl

Art on Paper Amsterdam, BOZAR Brussel, 24 t/m 27 oktober 2019
www.artonpaper.be

Drawing Centre Diepenheim
http://www.kunstvereniging.nl
 

,

Lees meer in Tableau Magazine!

Als iets de drang duidelijk maakt om je als tekenaar los te rukken van het papier, om iets tot leven te wekken, op te tillen, te laten groeien en gruizen en de kijker te omvatten, dan is het wel de dynamische minifilm (2016) van Kim Habers. Ze neemt de kijker in anderhalve minuut mee van iets wat een technische tekening lijkt te worden, via subtiele inkepingen en voorzichtig schuiven, naar een manshoog, kronkelend, volgetekend en ingesneden vel papier, dat tegen de muur op golft en me lijkt te willen verzwelgen. Of dat eng is? Nee, helemaal niet. Juist heerlijk.

 

Kim Habers, A, 2016 videostill

POTLOOD, PEN, PAPIER

Habers maakte de film in 2016 tijdens een residency bij Drawing Centre Diepenheim met als doel haar werkproces inzichtelijk te maken. Haar opvatting van papier als medium lijkt behoorlijk ver af te staan van de boodschap die de organisatie van de Amsterdamse beurs Art on Paper op zijn website heeft geplaatst. In september laten ruim 30 galeries in de Zuiveringshal van de Westergastfabriek in Amsterdam werk op papier zien. ‘Kunst op papier heeft niet alleen artistiek gezien een bijzonder karakter’, aldus de organisatie, ‘maar is vaak wat formaat en prijs betreft toegankelijk en aantrekkelijk.’ Niet als het aan Habers ligt dus. Of aan Roos Holleman, die past met haar manshoge tekeningen ook niet bepaald binnen dit profiel. Zij is dit jaar zowel door haar galerie vertegenwoordigd op de beurs als door een uitgever, vanwege haar recent uitgekomen boek The Centre of Attention. Papier is al lang geen bescheiden drager meer. Juist vrij veel tekenaars werken op indrukwekkend grote formaten en bevrijden, net als Habers, het papier van haar platte, handzame imago. Dan lijkt de insteek van de gelijknamige beurs eind oktober in BOZAR Brussel gepaster: ‘Meer dan ooit brengt Art on Paper een onverschrokken ode aan een medium dat altijd buiten de lijnen durft te tekenen.’ Voor de vijfde maal vind Art on Paper plaats in het Brusselse kunstcentrum en een belangrijk onderscheid dat de zuiderburen maken, is dat het om 50 solotentoonstellingen gaat. Wat het werk wellicht meer tot zijn recht zal doen komen dan het idee van een gehele beurs speciaal gewijd aan de tekening.

 

Roos Holleman, Predator ’n prey, 2019,
pastel op papier, 106 x 78cm

GEËMANCIPEERD

Het emancipatieproces van de tekening is reeds decennia in volle gang. Het is niet alleen een opzichzelfstaand werk geworden dat in niets afdoet aan olieverf op doek of marmer op een sokkel, maar het vergt ook eenzelfde mate van vakmanschap. Het is niet perse ‘het meest spontane en artistiek vrije moment dichtbij de kunstenaar’, zoals vaak wordt gedacht.
Vorig jaar was er tijdens de Amsterdamse Art on Paper een levensgrote tekening te zien van een interieur met een bed, een plant en een kooi. Met zijn in fantastisch kleurrijke vlakken opgebouwde werken, lijkt Erik Mattijssen soms meer te schilderen dan hij tekent. Dat is nadrukkelijk niet het geval, al vergt het veel ervaring en oefening om zo te kunnen werken met pastelkrijt. Ooit vertelde Mattijssen in een radioprogramma over zijn techniek, waarbij het poetsen zorgvuldig wordt vermeden, zodat de korrel van het papier zichtbaar blijft. Niet vegen, dan wordt het meteen weeïg. En tussen elke nieuwe laag fixeren, om te voorkomen dat ze in elkaar slibben. Zo maakt Mattijssen zijn kenmerkende decoratieve patronen zonder dat deze aan helderheid verliezen.

GEEN EEUWIG LEVEN

Spontaan is een tekening dus niet altijd, maar eerlijk is het wel. Er valt weinig te verdoezelen. Het moet in één keer goed. ‘Ik wil een eerlijk beeld scheppen, het laten zíjn’, aldus Roos Holleman in een interview in 2015. Zij tekent al sinds haar afstuderen in 2012 met pastel en grafiet onwaarschijnlijk gekleurde nachtvlinders en vogels. De vleugels samengevouwen, de pootjes gekruist, als in een opgebaarde toestand; soms met een glorieuze staart die over het papier waaiert. Altijd minutieus, met tientallen kleuren in de details. Als een 16e-eeuwse bioloog lijkt ze te werk te gaan, studerend, vastleggend; ons leken wijzend op de vele kleine wonderen van de wereld. Maar haar tekeningen zijn groot, veel te groot voor een illustratie bij een wetenschappelijk artikel. Een mot op een vel papier van 200 bij 150 cm is geen uitzondering. Daar komt bij dat het niet wetenschappelijk is. ‘Tijdens het tekenen laat ik het vogeltje los, kijk ik er na een tijdje zelfs niet meer naar. De anatomie hoeft niet per se correct te zijn, als het beeld visueel maar klopt.’ De kijker moet het geheel kunnen zien, maar zich ook kunnen verliezen in de details, de kleine haartjes. Dat kan toch ook op doek, met olieverf? Zeker. Maar Holleman maakt toch een connectie: ‘Ook het papier zal niet het eeuwige leven hebben.’ Dat lijkt misschien wat flauw, maar Holleman is er door haar frequente bezoek aan natuurmusea, speurend naar tekenschatten, voortdurend van bewust hoe wij, mensen, de natuur proberen te catalogiseren en op die manier een poging doen het immens tijdelijke voor de goddelijke eeuwigheid te bewaren.

ALS MATISSE

Terug naar het werk van Mattijssen, Twelve Scissors (2018), een samengestelde tekening – bestaand uit één groot, en vier minder grote vellen papier met daarop gekleurde vellen-van een indrukwekkende 430 bij 230 cm, is gemaakt tijdens een verblijf in Parijs en geïnspireerd door Matisse (grappig genoeg zijn Franse naamgenoot). ‘Ik vond een prachtboek waarin alle knipsels opgenomen zijn die als left-overs op de grond waren blijven liggen, gevonden na zijn dood. In het boek vertellen zijn assistenten-van-toen hoe ze elke morgen de gouache vellen schilderden. Eén deed dat vooral transparant, de andere lekker dik in de verf.’

Mattijssen neemt net als Matisse de schaar ter hand en zo hangen er naast of voor zijn rechtstreeks op de muur geprikte tekeningen soms losse vormen. Bijvoorbeeld een ezel op z’n kop of een rijtje hangende worsten. De stapeling van papieren naast en boven elkaar en het geassambleerde, eigenzinnige karakter van deze werkwijze, resoneert in zijn onderwerpen: een voorliefde voor dat wat zelf bedacht en samengesteld is. Geen doordachte, hippe interieurstukken, maar gaandeweg geïmproviseerd en ingelijfd; aubergineplanten in lege tomatenblikken, onbegrijpelijk grote beelden van honden, stapels conserven, scharen naast het bed.

PAPIER EN HET EXPERIMENT

Knippen, plakken, laagjes. Papier is meer dan een drager. Soms is het het werk zelf. Zo werkt Erik de Bree met behangpapier, laag over laag over laag op paneel en noemt ze Wallpaper Paintings. Opbouw en afbraak, daar gaat het over. Hij plakt, scheurt, bewerkt met inkt, spuitverf en mes; laat de onvoorspelbaarheid toe. Plakt opnieuw, scheurt weer; waardoor een wisselwerking van de lagen en kleuren, en van controle en toeval samen een schilderachtige compositie opleveren.

 

Erik de Bree, Withdrawal Symptom #18, 2017,
spuitbus en gescheurd papier op paneel,
Courtesy of Torch Gallery

Virtuoos, analoog beeldbewerker Kensuke Koike laat juist een totaal gecontroleerde adaptie van bestaand beeldmateriaal zien. Uit een simpele ansichtkaart of een gevonden foto maakt hij een nieuw beeld. Soms grappig, soms hilarisch, altijd verbazingwekkend. Hij voegt niets toe, haalt niets weg, enkel en alleen door een snijmes ter hand te nemen en de mogelijkheden te zien maakt hij een nieuw beeld. Als een subtiel woordgrapje, licht en fijn en toegankelijk. Het werk van beide kunstenaars is te zien in de tentoonstelling Paper Art in CODA. Verwijzend naar het heden en verleden van de Veluwe-waar eeuwen geleden vele papiermolens gevestigd waren-presenteert het museum in Apeldoorn dit jaar de negende editie van de Papierbiënnale, waarbij een internationale groep kunstenaars en ontwerpers de bezoeker een waaier van papiertoepassingen voorschotelt: van de fragiele kartonnen bouwsels van Daniel Agdag die figureren in zijn betoverende animatiefilm tot de exorbitante bloementuin van Katinka van Haren waar ik het liefst in zou gaan liggen. Van de hoogglans vaassculpturen van Seungbin Yang tot de tekenachtige, manshoge nomaden van Gabi Rets. Zij zet haar lijnen niet op papier, maar met papier direct op de wand. Haar 5 Wanderer maakte ze van opgerold en gesneden (kranten)papier, kartonnen dozen en papieren bordjes. Deze papieren mensen, op weg, bepakt en bezakt, talloze bezittingen op hun hoofden gestapeld, vertellen verhalen van consumptie, maar ook van migratie, van materialiteit en herinneringen, waarbij de kwetsbaarheid en het vluchtige karakter van het papier het beeld versterkt.

 

Kensuke Koike, Sneeze, 2018, Altered vintage postcard,
Courtesy of Rossana Ciocca Gallery, Milan