Categorieën
2024 Stories

Expressieve verbeelding: Rodin in dialoog met verleden en heden

Lange tijd is de wereld nog niet klaar voor Rodin. Hij wordt tot drie keer toe geweigerd door L’école des Beaux Arts in Parijs en veel van zijn werk stuit op onbegrip. Maar zoals altijd kruipt het bloed waar het niet gaan kan en blijft hij staan voor zijn gedachtegoed, terwijl hij zich langzaam ontwikkelt tot een van de grootste beeldhouwers aller tijden.

Deze zomer viert Bergen het genie van Auguste Rodin (1840-1917) met een grote overzichtstentoonstelling ter gelegenheid van de heropening van het Museum voor Schone Kunsten. Het museum is nu onderdeel van een cultureel complex: het CAP wat staat voor Culture, Art et Patrimoine. Rodin is een logische keuze omdat hij een periode in België woonde en werkte. Tijdens deze periode ontwaakt het bijzondere talent van Rodin door meesters van de renaissance zoals Van Dyck, Dürer maar vooral Rubens. Zijn tijd in Brussel en omstreken wordt een kantelpunt in zijn carrière, het moment dat hij uit de schaduw stapt van zijn leermeester. ‘Rodin. Een Moderne Renaissance’ toont meer dan 200 werken die niet alleen een dialoog aangaan met meesterwerken uit de renaissance – een grote inspiratiebron voor Rodin – maar ook met het hedendaagse werk van Berlinde de Bruyckere.

Auguste Rodin Bergen CAP Floor Wiegerinck
Berlinde de Bruyckere, Arcangelo I, en Arcangelo II, 2022-2023. Foto: Floor Wiegerinck.

Het begin

Rodin groeit op in een zeer gelovig en arm gezin in Parijs. Als tiener gaat hij naar La Petite École, een gratis school voor tekenkunst en wiskunde. Hier leert hij de basistechnieken voor decoratieve beeldhouwkunst en hij volgt een intensieve tekenopleiding. Hij leert om te tekenen naar geheugen. Voorbeelden vindt hij onder andere in het Louvre en met name kunst uit de Oudheid en Renaissance kopieert hij veelvuldig. Zijn docenten Horace Lecoq de Boisbaudran en Jean-Baptiste Carpeaux moedigen hem aan om zich aan te melden bij L’École des Beaux Arts. De afwijzingen en de noodzaak om te voorzien in zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn geliefde Rose Beuret houden hem klein.

In 1864 treedt hij in dienst van Albert Ernest Carrier-Belleuse, een gevestigde beeldhouwer met een grote reputatie. In 1871 vertrekken meester en assistent naar Brussel om daar de Beurs te decoreren. Rodin blinkt uit, maar zelf ambieert hij het echte kunstenaarschap. Vanaf dat moment neemt hij eigenaarschap van zijn talent en dwingt hij de wereld steeds vaker om te zien wat hij ziet, om de wereld te beleven zoals hij die beleeft. Hij streeft expressie en emotie na, een intuïtief begrijpen. En laat zien dat er maar zo weinig voor nodig is om een idee te vangen in een beeld.

Eind 1871 exposeert Rodin voor het eerst onder zijn eigen naam. Vooral bustes die nog een sterke link vertonen met Carrier-Belleuse, met wie hij inmiddels heeft gebroken. In 1874 maakt hij monumentale werken onder Antoine-Joseph van Rasbourg en krijgt hij de ruimte om te werken aan zijn eigen projecten, waarvan De man met de gebroken neus een voorbeeld is. Hij spaart genoeg geld om een reis te maken naar Italië en hij raakt in de ban van Michelangelo en Donatello. Eenmaal terug in Parijs maakt hij De Bronstijd, een slanke naakte jongen in contrapposto houding die zijn haar met een zelfbewust gebaar naar achter strijkt. De link met Donatello is makkelijk gelegd en de jonge man ademt de zwoelheid van De stervende slaaf van Michelangelo.

Rodin exposeert het werk in 1877 op de Salon in Parijs maar het wordt ontvangen met onbegrip. Critici beschuldigen Rodin ervan dat hij afgietsels maakte van het lichaam van model Auguste Neyt. Rodin antwoordt op deze kritiek door in 1880 een nieuw naakt te presenteren, Johannes de Doper, qua formaat net iets groter dan levensgroot. Een stille sneer naar de mensen die zijn kunde hadden aangezien voor bedrog. Het bewijs van zijn expertise is terug te zien in de vele écorchés, studies van spieren en botten, die Rodin maakte voordat hij begon met modelleren.

Auguste Rodin Bergen CAP Floor Wiegerinck
Auguste Rodin, Désert. Simon, 1896-1900, collectie Musée Faure, Aix-les-Bains ©

Toch vraagt de Franse Staat in 1880 Rodin om De Bronstijd in brons te gieten en krijgt hij de opdracht om de deuren voor het nog te bouwen Musée des Arts Décoratifs te ontwerpen. Rodin krijgt de vrije hand voor de invulling en hij kiest het thema ‘Inferno’ van Dante Alighieri. Hij stort zich vol overgave op deze hellepoort en grijpt terug op alles wat hij tot dan toe maakte. Oude tekeningen van studies en reisdagboeken knipt hij uit en plakt hij in collages bij elkaar om nieuwe ideeën te laten ontluiken. Later staan deze studies bekend als zijn ‘zwarte tekeningen’, collages die enkel met grijs, zwart, sepia en wit zijn beschilderd. Hij volgt het voorbeeld van Lorenzo Ghirberti’s deuren van het baptiserium in Florence, maar laat toch al snel de kadering los. Hij modelleert tientallen figuren die al dan niet onderdeel worden van de poort. Voorbeelden hiervan, die uiteindelijk ook opzichzelfstaande kunstwerken worden, zijn De Denker, Ugolino en Paolo en Francesca (later De Kus). Pas na zijn dood wordt de Hellepoort definitief in brons gegoten, maar dient nooit als toegangspoort.

Lichaam en lijden

Het thema voor de poort kiest Rodin niet toevallig. Hij heeft een fascinatie voor angst, lijden en erotiek en vooral hoe het lichaam zich verhoudt tot deze emoties. Ook in de tentoonstelling vormt het lichaam de rode draad en hoe het werk van Rodin een dialoog aan kan gaan met het verleden of juist het hedendaagse werk van Berlinde de Bruyckere. Ook zij is geïnspireerd door de renaissance en hoewel veel van het werk in de tentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond wordt zijn de gelijkenissen tussen de tekeningen van Rodin en De Bruyckere opvallend. Soms lijkt het alsof creativiteit en inspiratie in de lucht hangen, zo voor het grijpen, niet gebonden aan tijd en ruimte. Het is maar wie ervoor openstaat, wie pikt het op en zet het om in een beeld?

Verder lezen? Neem een abonnement of koop een losse editie in de winkel.

Rodin. Een moderne Renaissance. In dialoog met Berlinde de Bruyckere
CAP / Musée des Beaux-Arts Bergen
t/m 18 augustus 2024

Categorieën
2023 Stories

Frans Hals: bezield en bevlogen

Frans Hals werd in zijn tijd gezien als een virtuoos schilder en hij wordt vaak genoemd als een van de grote drie uit de Gouden Eeuw, naast Rembrandt en Vermeer. Toch raakt hij steeds in meer of mindere mate in de vergetelheid. Reden genoeg voor het Rijksmuseum om de handen ineen te slaan met The National Gallery en de Gemäldegalerie, Staatliche Museen zu Berlin en hem weer op een groot podium te plaatsen.

Frans Hals werd tussen 1582 en 1584 geboren in Antwerpen. Niet lang daarna besloot zijn vader, Franchoys Fransz Hals, het gezin rond 1586 naar Haarlem te verhuizen. Een keuze die waarschijnlijk verband hield met de val van Antwerpen in het jaar daarvoor. Haarlem was een logische keuze voor het gezin omdat Franchoys Hals een lakenbereider was en de textielnijverheid, na de bierbrouwerij, de grootste handelsvorm van de stad was. Er is niet veel bekend over het leven van Frans Hals, maar aangenomen wordt dat hij bij de schilder Karel van Mander, vooral bekend om zijn Schildersboeck uit 1604, in de leer ging.

Frans Hals, Portret van Willem van Heythuysen, ca. 1638, particuliere collectie, met dank aan Richard Nagy Ltd, Londen

In 1610 trouwde hij met Anneke Harmensdochter en werd hij lid van het St Lucasgilde. In 1616 vertrok hij naar Antwerpen en daar liet hij zich inspireren door schilders als Peter Paul Rubens en Anthony van Dyck. In 1617 hertrouwde hij met Lysbeth Reyniers. In totaal kreeg hij waarschijnlijk veertien kinderen in zijn twee huwelijken. De stad Haarlem bleek een vruchtbare bodem voor een beginnend schilder die zich wilde toeleggen op portretten. Door de vele vluchtelingen uit het zuiden, op de vlucht voor de Spaanse inquisitie of vanwege economische redenen, verdubbelde het inwonersaantal van Haarlem tussen 1573 en 1620. De migranten waren over het algemeen goed op­ geleide ambachtslieden die de economie van Haarlem een enorme boost gaven, een kickstart voor de Gouden Eeuw.

Schilderen met lef

Frans Hals ontwikkelde zich tot een meesterschilder die lak had aan de bestaande conventies. In plaats van een zo ge­detailleerd mogelijke weergave wilde hij de essentie van de persoon vangen op het doek. Hij besefte dat een levend wezen altijd in beweging is, dat de manier waarop het licht valt bij de minste beweging al verandert en dat het haar beweegt bij de kleinste tochtvlaag. Om die levendigheid te vangen schilderde hij heel los, met een rauwe penseelstreek. Als je zijn werk van dichtbij bekijkt zie je de verfstreken dui­delijk als losse toetsen. Van veraf zijn die streken precies die ene schittering van zonlicht, een snel opkomende blos of een ademteug. Dit gaf de werken een spontaniteit en levendig­ heid waar het publiek verliefd op werd en waardoor Frans Hals snel bekendheid kreeg.

Frans Hals Rijksmuseum Floor Wiegerinck Tableau Magazine
Frans Hals, detail van Portret van Willem van Heythuysen, ca. 1638, particuliere collectie, met dank aan Richard Nagy Ltd, Londen

Al gauw lieten de meest vooraanstaande personen zich door Hals vereeuwigen, zoals rijke lakenkooplieden en welgestelde bierbrouwers. Schrijver en dichter Theorodius Schrevelius, die zichzelf ook liet portretteren, schreef dat Frans Hals: ‘door zijn ongekende manier van schilderen bijna iedereen overtreft, want er zit in zijn schilderijen zo’n levendigheid dat hij met zijn penseel de werkelijkheid zelf schijnt te evenaren, zo blijkt uit de ongelofelijk vele portretten die hij gemaakt heeft, die van dusdanig coloriet zijn dat het lijkt alsof ze ademen en leven.’ Niet alleen de losse penseelstreek dragen bij aan de levendig­heid van de portretten, ook de originele houdingen zorgen voor dat effect. Zo portretteerde hij Willem van Heythuysen rond 1638 wippend op zijn stoel. Van veraf lijkt het een ge­detailleerd schilderij, met de kwastjes aan de stoel, de glimmende laarzen en het zachte uiterst precaire kant van zijn kraag. Dichterbij zien we pas hoe los hij schilderde en dat de laarzen opgebouwd zijn uit strepen licht­ en donkerbruin en zelfs geel. Zo’n schilderij was ongekend in die tijd, omdat uit een portret vooral moest blijken hoe be­schaafd en vooraanstaand iemand was. En iemand wippend op zijn stoel suggereert juist het tegenovergestelde. Toch werd zijn faam hierdoor alleen maar groter, men vond het wonderlijk hoe hij iemands karakter zo treffend kon weergeven. Maar hij portretteerde niet iedereen zwierig lachend. Hij kon ook heel ingetogen en gedetailleerd schilderen, naarmate de wensen van de opdrachtgever.

Verder lezen? Neem een abonnement of koop een losse editie in de winkel.

Categorieën
2023 Stories

Vijf generaties Brueghel

Vanaf oktober presenteert Het Noordbrabants Museum de tentoonstelling ‘Brueghel: De familiereünie’. Het museum zet maar liefst vijf generaties schilders in de spotlight. Maar hoe kader je de enorme verscheidenheid aan personages, materialen, media en onderwerpen over een tijdspanne van 1550 tot 1700? Conservator oude kunst Nadia Groeneveld-Baadj geeft een inkijkje in het proces en schijnt nieuw licht op een van de grootste kunstenaarsfamilies uit de geschiedenis.

Het is een warme juni dag en de historische binnenstad van Den Bosch straalt me tegemoet terwijl ik naar Het Noordbrabants Museum wandel. Ik word hartelijk onthaald door Nadia Baadj en steek meteen van wal, benieuwd hoe het museum deze tentoonstelling van de grond heeft gekregen. Baadj: ‘Het was inderdaad een uitdaging. Voor ons was het vooral belangrijk om een verhaal te vertellen dat nog nooit verteld is. Om deze tentoonstelling mogelijk te maken zijn we afhankelijk van bruiklenen over de hele wereld, alleen zijn wij een relatief klein museum en kunnen we in ruil geen grote meester aanbieden. Dus dan moet het onderzoek en de uiteindelijke tentoonstelling nieuw licht schijnen op de familie Brueghel. In eerdere tentoonstellingen lag de focus nooit op de familie als geheel. Daar proberen we verandering in te brengen door breder te kijken naar alle vijf generaties en de focus te leggen op meerdere facetten van het familiebedrijf. Zoals de belangrijke rol die vrouwen hebben gespeeld, de familiebanden, de traditie die door de generaties heen zichtbaar blijft en samenwerkingen en verbintenissen met andere kunstenaarsfamilies.’ Niet alleen de opzet van de tentoonstelling is een uitdaging. Vijf generaties Brueghels in een verhaal bij elkaar te krijgen is niet gemakkelijk. Waar begin je?

Brueghel Het Noordbrabants Museum Tableau Magazine Floor Wiegerinck
Pieter Brueghel de Jonge, De Vlaamse spreekwoorden, 1607, collectie Stadsmuseum Lier

Om deze tentoonstelling mogelijk te maken zijn we afhankelijk van bruiklenen over de hele wereld, alleen zijn wij een relatief klein museum en kunnen we in ruil geen grote meester aanbieden. Dus dan moet het onderzoek en de uiteindelijke tentoonstelling nieuw licht schijnen op de familie Brueghel.

Baadj: ‘Vrij vroeg in het onderzoeksproces kwam ik het schilderij Allegorie op de schilderkunst van Jan Brueghel de Jonge [kleinzoon van Pieter Bruegel de Oude*] onder ogen. Een bijzonder schilderij waarin de totale identiteit van de Brueghels terug te vinden is. En toen wist ik: aan de hand van dit werk kunnen we het verhaal van deze familie vertellen.’

Allegorie met een boodschap

Op het eerste gezicht lijkt Allegorie op de schilderkunst gemakkelijk in te delen in het genre kunstkamer-schilderijen dat vanaf 1610 in Antwerpen populair werd. Maar beter bekeken bevat het schilderij een enorme hoeveelheid details die niet typisch zijn voor een allegorie. In het midden van een groot atelier zit Pictura, de personificatie van de schilderkunst. Zij schildert een stilleven van een vaas met bloemen. Om haar heen liggen verschillende soorten materialen, gereedschappen, modelboeken, tekeningen en studies om de kijker een inzicht te geven van het werkproces van de schilder. Aan de muren hangen schilderijen die linken naar de internationale bekendheid van de Brueghels en de samenwerkingen die zij aangingen met andere schilders uit die tijd. Als een ode aan de patriarch van de familie hangt het portret van Pieter Bruegel de Oude links van de doorgang aan de muur, tussen de portretten van Michelangelo en Pieters leermeester en latere schoonvader, Pieter Coecke van Aelst. Daaronder hangt een portret van Jan Brueghel de Oude (jongste zoon van Pieter Bruegel de Oude), naast een afbeelding van Albrecht Dürer. Rechts van de doorgang hangen nog meer portretten van bekende schilders als Hubert van Eyck, Lucas van Leyden, Quentin Metsys en Jan Gossaert, waarmee Jan de Jonge suggereert dat de Brueghels gelijkwaardig waren aan deze grootmeesters. In de galerij op de achtergrond is een meesterschilder aan het werk, zijn pupillen kijken over zijn schouder mee.

Brueghel Het Noordbrabants Museum Tableau Magazine Floor Wiegerinck
Jan Brueghel de Oude en Peter Paul Rubens (atelier), Nimfen vullen de hoorn des overvloeds, ca. 1615, Mauritshuis, Den Haag

Daarachter werkt een andere schilder aan een landschap en daarachter wordt het portret van een vrouw geschilderd. Helemaal achteraan staan twee mannen pigment te malen. Dit wijst erop hoe uitgebreid het schildersatelier van de Brueghels in die tijd moet zijn geweest en dat het een bloeiend familiebedrijf was. Maar Pieter Bruegel de Oude stierf op ongeveer 40-jarige leeftijd toen Pieter de Jonge en Jan de Oude nog maar vier en een jaar oud waren. Hoe lukte het de jongens om toch in de voetsporen te treden van hun vader?

Mayken Verhulst en andere vrouwen

Pieter Bruegel de Oude kreeg zijn opleiding in Antwerpen van Pieter Coecke van Aelst, die getrouwd was met Mayken Verhulst. Zij kwam uit een kunstenaarsgezin en was een gevierd aquarellist en miniaturist die zelfs door Karel van Mander in zijn Schilder-Boeck uit 1604 genoemd wordt. In de kunstgeschiedenis wordt de rol die Verhulst speelde vaak over het hoofd gezien, maar zij had een grote invloed op het voortzetten van de schildertraditie van Pieter de Oude. Zij was namelijk niet alleen de vrouw van zijn leermeester, maar werd ook Pieter de Oude’s schoonmoeder toen hij trouwde met haar dochter Mayken Coecke in 1563. Toen Pieter de Oude in 1569 stierf, en kort daarna ook zijn vrouw Mayken, lieten zij twee zoontjes op jonge leeftijd achter. Baadj: ‘Nieuw onderzoek toont aan dat de jongens na de dood van hun moeder eerst door hun tantes in huis zijn genomen.’ 

In de tentoonstelling willen we het verhaal breder trekken en de vrouwen de aandacht geven die ze verdienen

Baadj: ‘Later, zo beschrijft Van Mander, wordt Jan de Oude maar waarschijnlijk ook Pieter de Jonge door hun grootmoeder Mayken Verhulst opgeleid in de miniatuur- en waterverftechniek. Zij was waarschijnlijk in het bezit van prenten en tekeningen van Pieter Bruegel de Oude die zij erfde na dood van Mayken Coecke. Doordat zij die prenten en tekeningen bewaarde hadden de jongens toch toegang op het werk van hun vader. Met deze tentoonstelling willen we het verhaal breder trekken en ook de vrouwen de aandacht geven die ze verdienen.’

Brueghel Het Noordbrabants Museum Tableau Magazine Floor Wiegerinck
Anna Maria Janssens, Bloemenguirlande met de Heilige Familie en een musicerende engel, 1620-1668 © The Phoebus Foundation, Antwerpen

Ook voor andere vrouwen in de familie is in de overlevering geen ruimte, maar de Brueghels zelf hadden daar waarschijnlijk een heel andere kijk op. Baadj: ‘In het schilderij Allegorie op de Schilderkunst zit de vrouw in het midden van de voorstelling. Zij is als Pictura onderdeel van de allegorie, maar ik zie in haar ook een statement. Het feit dat ze volledig gekleed, al schilderend in het midden zit komt niet overeen met andere allegorieën. Die centrale rol die Jan de Jonge haar geeft is voor mij veelzeggend.’

Mayken Verhulst was voor de kickstart van het familiebedrijf belangrijk, maar er zijn nog meer vrouwen te noemen. Zoals Clara Eugenia Brueghel, dochter van Jan Brueghel de Oude uit zijn tweede huwelijk met Catharina van Mariënburg. Clara was een vooraanstaand lid van de Begijnengemeenschap in Mechelen en had daarom een groot netwerk. Zij liet kerken en privé-interieurs aankleden met schilderijen van onder andere haar familieleden en het netwerk daar omheen. Haar rol kan gezien worden als een soort matronage voor de Brueghels. Een andere belangrijke vrouw was Anna Maria Janssens die de Brueghelfamilie binnenstapte door te trouwen met Jan Brueghel de Jonge. Zij kwam uit een vooraanstaande schildersfamilie en met hun verbinding kon er een heel nieuwe samenwerking met het schildersatelier van de familie Janssens worden aangegaan. Baadj: ‘Het is moeilijk om de vrouwen in het familiebedrijf in kaart te brengen, omdat er zo weinig is overgeleverd. We willen in de tentoonstelling transparant zijn maar toch deze vrouwen laten zien, al hebben we niet veel aantoonbare werken of bewijzen. Ik vermoed dat veel werken van Anna Maria Janssens zijn toegeschreven aan mannelijke collega’s, ook omdat de stijl en onderwerpen zo dicht bij elkaar liggen. Maar er is wel een werk van Anna Maria Janssens overgeleverd en opgenomen in de tentoonstelling. Er zijn ook aanwijzingen in teksten, die lopen als een soort route door de tentoonstelling, waardoor nieuw licht schijnt op de rol van de vrouwen.’ 

Verder lezen? Bestel een losse editie of haal hem in de winkel.

* Pieter Bruegel de Oude signeerde zijn werk met Bruegel, daarna werd de naam Brueghel gehanteerd.

Categorieën
2022 Stories

Turner: schilder van licht

Joseph Mallord William Turner leefde in een uitzonderlijke periode. Hij werd in 1775 geboren in de eeuw van zeil en koets, maar stierf in de tijd van metaal en stoom. Anders dan andere kunstenaars had hij niet alleen enorm ontzag voor de natuur, maar ook voor de wetenschap en alle ontwikkelingen die daarmee gepaard gingen. Maar het meeste nog raakte hij niet uitgekeken op de zon, die vooral in later werk steeds vaker de hoofdrol kreeg. Twee iconische werken uit The Frick Collection New York komen dit najaar na ruim honderd jaar weer terug naar Engeland.

Turner groeide op in Convent Garden, Londen, als zoon van een barbier. Toen hij elf was stuurde zijn vader hem weg, waarschijnlijk vanwege de mentale staat van zijn moeder na het overlijden van zijn zus Helen in 1786. Later werd Turners moeder opgenomen in een gesticht waar zij stierf in 1804. Turner kwam bij een oom in Brentford terecht, een klein dorp ten westen van Londen aan de Thames. Gefascineerd door hoe het licht het water van de Thames raakte, zwierf Turner uren langs de rivier en documenteerde hij alles in zijn schetsboek. Turners vader hing de tekeningen en aquarellen in zijn etalage, waar het werk door klanten werd opgemerkt.

Joseph Mallord William Turner JMW Turner Floor Wiegerinck Tableau Magazine
Joseph Mallord William Turner, Harbour of Dieppe: Changement de Domicile, 1825 © The Frick Collection, New York

Al op 14-jarige leeftijd mocht Turner lessen bijwonen aan The Royal Academy of Arts, als jongste student ooit. En op 27-jarige leeftijd werd hij officieel lid van de Academy, aangenomen door schilder en president van de Academy Sir Joshua Reynolds. Zijn vader, waarmee Turner een hechte band had, stopte als barbier en assisteerde hem voortaan in zijn atelier. Reynolds wees Turner op 17e-eeuwse schilders als Claude Lorrain (1600-1682) en Willem van de Velde de Jongere (1633- 1707). Turner was ambitieus en streefde ernaar om op gelijke voet te komen als zijn voorgangers. Hij leerde schilderen volgens de heersende norm en de daarbij horende regels: geïdealiseerde zonovergoten landschappen met kleine gedetailleerde figuren op de voorgrond.

OP REIS

Turner had een sterke drang om de wereld vast te leggen in schetsboeken, waarvan hij er vaak meerdere op zak had. Vanaf 1792 maakte hij bijna elk jaar een grote reis. Eerst alleen in Engeland en Schotland vanwege de langdurige oorlog tegen Napoleon. Maar toen er in 1802 een wapenstilstand werd uitgeroepen reisde hij meteen naar het vaste land. Anders dan de meeste kunstenaars zette hij niet meteen koers naar Parijs, maar vertrok hij eerst naar de Zwitserse Alpen om daar de majestueuze bergen te aanschouwen. Hij wist wat de natuur hem te bieden had, zag de grootsheid, het sublieme en de nietigheid van de mens daar tegenover. Na zijn bezoek aan de Alpen reisde Turner door naar Parijs, waar hij oog in oog kwam te staan met werk van zijn idool Claude Lorrain. Er wordt gezegd dat hij tot tranen geroerd was en ‘zo zal ik nooit kunnen schilderen’ mompelde.

Joseph Mallord William Turner JMW Turner Floor Wiegerinck Tableau Magazine
Joseph Mallord William Turner (1775- 1851), The Pass of Saint Gotthard, Switzerland, 1803/04 © Birmingham Museums Trust

IDEAAL VS REALITEIT

Turner was een allround schilder die zeer gedetailleerd een havengezicht kon schilderen. Maar eigenlijk was hij niet op zoek naar het idealiseren van de natuur. Hij wilde zelfs niet de natuur precies naschilderen. Turner wilde zijn toeschouwers laten ervaren hoe allesverslindend de natuur kan zijn, terwijl het alsnog prachtig is om te zien. Na zijn reis door de Alpen schilderde hij bijvoorbeeld The Pass of Saint Gotthard Switzerland, (1803). Een schilderij met een diep ravijn met een grote wolkenpartij. Maar als we beter kijken zien we dat de kunstenaar in het midden van het schilderij een vaag silhouet schilderde, een schim die smekend knielt voor het kruis van Christus. De enorme rotswanden torenen dreigend boven hem uit en ineens krijg het schilderij lading. We voelen een vlaag van onrust omdat de wolken donderend dichterbij komen en de afgrond is zo diep en dichtbij. Door de figuur juist zo klein en vaag te schilderen accentueerde Turner de grootsheid van de rotswand en het onheil van de naderende storm. Turner verbeeldde de natuur in al zijn sublieme en machtige grootsheid en dat voel je.

In Harbour of Dieppe: changement de Domicile (1825) schilderde Turner geen dreigende storm maar de laatste, haast magische uurtjes van de dag. De zon is begonnen met dalen en alles lijkt te baden in een gouden gloed. In het schilderij neemt het licht niet alleen een groot deel van de lucht in beslag, maar ook van het water. Deze nadruk op de zon versterkte hij door het water te ‘omarmen’ met haven en stad. Op het punt waar de stad en de haven elkaar raken wordt het oog van de toeschouwer weer omhoog getrokken naar de zon, die daar in het volle zicht, de show steelt. 

Verder lezen? Bestel een losse editie of haal hem in de winkel.

Categorieën
2020 Tableau

Drie vragen aan…

1. Waar werk je op dit moment aan? 

Ik ben druk bezig geweest met de sluiting van het februari nummer en met het hele Tableau team hebben we ervoor gezorgd dat er weer een prachtig Magazine in de winkels ligt! Hierna is het altijd even wat rustiger zodat ik mij weer kan storten op het aankomende zomernummer. Onze auteurs moeten daarvoor worden gebrieft en ik duik met mijn neus in de boeken om research te doen voor diverse artikelen. Het belooft weer een mooi nummer te worden!

2. Wie of wat inspireert je op het gebied van kunst?

Ik vind vooral het verhaal achter een kunstwerk interessant. Wat ik leuk vind aan oudere kunst is dat ik door middel van de iconografie meteen weet welk verhaal is afgebeeld. Daarbij krijg je ook meteen een glimp van de periode waarin het kunstwerk is gemaakt. Bij hedendaagse kunst krijg je niet altijd het verhaal erbij. Je moet moeite doen door je te verdiepen in de kunstenaar. Ik vind het heel boeiend om erachter te komen hoe een kunstenaar tot een bepaald kunstwerk is gekomen en wat voor proces hij heeft doorgemaakt.

3. Welke tentoonstelling kun je aanraden voor dit moment?

Ik ben heel benieuwd naar de tentoonstelling Portret als openbaring. Kunstenaarsportretten in het Van Gogh Museum. Bijzonder is dat het werk `Zelfportret met verbonden oor` (1889) uit The Courtauld Gallery in Londen voor het eerst sinds 1955 (!) is uitgeleend en nu dus te bewonderen  in Nederland. Ook zou ik graag naar de tentoonstelling Artemisia in The National Gallery in Londen gaan, wat een wereldvrouw! In het februarinummer lees je waarom!